Ombudsman Uitvaartwezen
De Stichting Klachteninstituut Uitvaartwezen behandelt klachten van consumenten over de uitvaartbranche

Grafrechten

24-10-2025 2025-054 Grafrechten

Klacht:

De procedure:

  • Op 16 juli 2025 heeft klager een klacht ingediend bij de ombudsman uitvaartwezen omdat hij niet tot een oplossing kon komen in een tussen hem en verweerder ontstaan conflict.
  • Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend tegen de klacht, waarna klager heeft gerepliceerd en verweerder vervolgens heeft gedupliceerd.

 

Onderwerp van het geschil:

Klager is van mening dat verweerder een grafrecht dient terug te kopen.

 

 Standpunt klager:

  1. Klager is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte heeft onttrokken aan de gemaakte afspraak om het door klager en zijn partner in 2015 gekochte dubbel urnengrafrecht van hen terug te kopen.

Verweerder beroept zich volgens Van der Horst ten onrechte op de voorwaarde bij de verkoopovereenkomst dat het grafrecht niet op de site van “Marktplaats” zou worden aangeboden.

  1. Bovendien heeft verweerder in een later stadium een onredelijk korte termijn gesteld, waarbinnen klager een aanbod moest accepteren.
  2. Tenslotte heeft verweerder zonder nadere motivering de oorspronkelijke koopsom van
    € 1.600,– verlaagd naar € 1.192,50.

 

Standpunt verweerder:

  1. Verweerder is van mening dat het aanbod tot terugkoop van het grafrecht is gedaan onder de voorwaarde dat het grafrecht door klager niet op Marktplaats zou worden aangeboden. Nu dat wel is gebeurd is het belang bij terugkoop komen te vervallen.
  2. In een later stadium heeft verweerder aangeboden om het grafrecht voor een bedrag van
    € 1.192,50 terug te kopen, maar klager heeft dat aanbod niet binnen de gestelde termijn van vier dagen aanvaard. Nu er geen overeenkomst tot stand is gekomen, kan zij daartoe evenmin worden verplicht.

 

De ombudsman stelt de volgende feiten vast:

  1. Het staat vast dat verweerder het grafrecht wilde terugkopen voor een bedrag van
    € 1.192,50, waarbij een termijn van vier dagen is gesteld om met dat aanbod akkoord te gaan.
  2. Voorts staat vast dat klager dat aanbod niet heeft geaccepteerd.

 

De ombudsman overweegt het volgende:

  1. Over diverse onderwerpen hebben partijen totaal verschillende lezingen gegeven. Zo stelt klager dat verweerder aanvankelijk telefonisch een aanbod van € 1.600,– als koopsom heeft genoemd, terwijl verweerder zich dat bedrag niet kan herinneren.
  2. Volgens klager heeft verweerder hem juist geadviseerd om het grafrecht op Marktplaats.nl aan te bieden, terwijl verweerder stelt dat het aanbod tot terugkoop juist werd gedaan om te voorkomen dat het grafrecht op Marktplaats zou worden aangeboden.
  3. Indien verweerder daadwerkelijk slechts wilde terugkopen om te voorkomen dat het grafrecht op Marktplaats zou worden aangeboden, zou het voor de hand hebben gelegen dat daarvan in een schriftelijk aanbod tot terugkoop melding was gemaakt, omdat die aanleiding kennelijk essentieel was. Het aanbod werd echter mondeling, onder de voorwaarde van het niet aanbieden van het grafrecht op Marktplaats, gedaan volgens verweerder, maar klager heeft gesteld dat het aanbieden op Marktplaats voordien speelde, na advies van verweerder zelf.
  4. Of verweerder aanvankelijk een koopsom van € 1.600,– heeft genoemd, zoals klager heeft gesteld, is niet komen vast te staan, omdat verweerder dat volgens de klacht van klager niet heeft erkend. Wel spreekt verweerder van het “nogmaals aangeboden” hebben. Dat laat ruimte voor een eerder aanbod tegen een bedrag van € 1.600,– zoals van der Holst heeft gesteld.
  5. Voor mij is onduidelijk gebleven waarom verweerder zo’n korte termijn (vier dagen) verbond aan haar aanbod, maar op zichzelf had zij die bevoegdheid.
  6. Indien ik verweerder in dit advies zou verplichten om het grafrecht alsnog voor een bedrag van € 1.600,– te kopen, zoals klager vordert, zal in juridisch opzicht moeten vast komen te staan dat partijen over die aankoop overeenstemming hebben bereikt. Uit de vaststaande feiten kan ik dat niet concluderen. Het is immers niet komen vast te staan dat verweerder een aanbod van koop tegen een bedrag van € 1.600,– heeft gedaan, terwijl het tweede aanbod evenmin (tijdig) is geaccepteerd door klager.
  7. Hoewel ik dus géén verplichting tot terugkoop aan verweerder kan opleggen, zou het verweerder mijns inziens sieren indien de terugkoop alsnog plaatsvindt tegen een koopsom van € 1.192,50. Voor verweerder is het doorverkopen van het grafrecht immers veel eenvoudiger dan voor klager.

Uitspraak:

Beslissing van de ombudsman:

 Ik acht de klacht van klager ongegrond.

Dit bindend advies is opgesteld en verzonden op 24 oktober 2025.

Zowel klager als verweerder zijn gehouden het bindend advies van de ombudsman te respecteren en na te komen.

 

De Ombudsman Uitvaartwezen,